Internationale Spectator

Columns

Ruud Hoff

Een Pax Americana voor het Midden-Oosten?

Er is veel mis in de Arabische wereld. De economische ontwikkeling stagneert. Afgezien van olie is de produktie uitzonderlijk laag, de schuldenlast formidabel. Er is een bevolkingsexplosie, er is grote werkloosheid, onvrijheid, uitzichtloosheid bij jongeren, corruptie en wanbeheer. De politieke systemen zijn autoritair of dictatoriaal en aan democratie en de naleving van mensenrechten schort het grondig.

Dit is allemaal niets nieuws. Wel opvallend was dat Arabische wetenschapslieden in het Arab Human Development Report 2002 van de UNDP met ongewoon openhartige kritiek op de eigen samenleving kwamen.1) In hun analyse zijn gebrek aan individuele vrijheden en het ontbreken van flexibiliteit oorzaken van de stagnatie en malaise. Ook de uitsluiting van vrouwen en de traditionele patronageverhoudingen en vriendjespolitiek staan de broodnodige hervormingen in de weg. Arabische regeringen plegen vaak de confrontatie met Israël, met op de achtergrond het ‘Amerikaans imperialisme’, verantwoordelijk te stellen voor het gebrek aan (politieke) vrijheden en het falend sociaal-economisch beleid. De meeste Arabische regimes zijn nu al tientallen jaren onafgebroken aan de macht. De zittende regimes zijn er vooral op uit de macht die ze eens veroverd hadden, te behouden. Door onderdrukking bewaren ze de status quo. Daarmee staan ze hoognodige hervormingen in de weg, omdat die hun eigen posities zouden kunnen ondermijnen.

De prioriteiten van de Amerikaanse Midden-Oostenpolitiek zijn de veiligheid van Israël en stabiliteit in de regio om zo een geregelde toevoer van olie uit de Golf te waarborgen. Een verstoring van de status quo werd door Washington dan ook steeds ongewenst geacht. Hoewel de Golfoorlog in 1991 gevoerd werd onder het vaandel van de ‘Nieuwe Wereldorde’, was het in feite het herstel van de oude regionale orde. Verwachtingen dat na afloop van deze oorlog democratische hervormingen in de Golfstaten zouden plaatsvinden, zijn niet of nauwelijks uitgekomen. Amerikaanse steun voor de opstanden van de Iraakse Koerden en sji’ieten tegen Saddam Hoessein bleef uit omdat de regionale orde niet verstoord mocht worden. De Verenigde Staten hebben in de regio decennialang allerlei weinig democratische en corrupte regeringen gesteund. Die steun strekte zich in de jaren ’80 (tijdens de Iraaks-Iraanse oorlog) ook uit tot het regime van Saddam. Zo beschermen de Verenigde Staten ook het Saoedische koningshuis, dat over rijke olievoorraden beschikt maar het met democratie en mensenrechten niet zo nauw neemt en dat tevens een voedingsbodem was voor fundamentalistisch islamitische stromingen. Sinds de elfde september gaan ook in de Verenigde Staten steeds meer kritische stemmen op over de banden met de Saoediërs. Een anti-Amerikaanse stemming kan daar immers gemakkelijk de overhand krijgen, zoals dat in 1979 in Iran gebeurde.

Richard N. Haass, hoofd beleidsplanning van het State Department, liet zich op 4 december 2002 in een rede voor de Council of Foreign Relations in Washington uit over het Amerikaanse Midden-Oostenbeleid.2) Hij stelt dat democratisering voortaan hoger op de Amerikaanse prioriteitenlijst moet staan, maar dat daar wel de nodige voorzichtigheid en bescheidenheid bij betracht moeten worden. De Verenigde Staten zouden in het verleden kansen hebben gemist om landen te helpen stabieler, welvarender en vreedzamer te worden. Wel is het natuurlijk aan de mensen zelf te bepalen in wat voor democratie ze willen leven. Daarbij moet ook een islamitische democratie mogelijk zijn. De Amerikanen hielpen tot nu toe militaire leiders in een aantal moslimstaten juist in hun streven een rol van de islam in de politiek tegen te houden (Algerije, Turkije, Tunesië, Pakistan, Egypte). Tot op heden lijkt de Amerikaanse houding meer aan te sluiten bij de opvattingen van Samuel Huntington, die meent dat de westerse waarden verdedigd moeten worden tegen die van de islam.

Met het oog op een mogelijke Amerikaans-Britse interventie in Irak doen in Washington allerlei scena- rio’s de ronde over de toekomst na Saddam. De vraag is daarbij of de Amerikanen bereid en in staat zijn een nieuwe (en betere) orde in het Midden-Oosten te verwezenlijken. Zo circuleert o.a. de gedachte dat de bevrijding van Irak weleens als een katalysator voor de gehele regio zou kunnen werken. Na de val van Saddam zouden ook andere Arabische dictators ten val komen en zou er een democratische vloedgolf over het hele Midden-Oosten spoelen. Dan zou ook een definitieve vrede tussen Israël en de Palestijnen mogelijk worden. Een dergelijke Pax Americana, gebaseerd op de waarden van het Westen, zou uiteindelijk eenieder ten goede komen.

Deze opvatting getuigt van een flinke dosis naïveteit. De wens lijkt de vader van de gedachte. Dat we in Irak te maken hebben met een buitengewoon schurkachtig regime lijdt geen enkele twijfel. Maar dat regime is wel een produkt van de maatschappelijke structuren van Irak, die niet gemakkelijk van buitenaf veranderd kunnen worden. De meeste staten in het Midden-Oosten zijn geen natiestaten en hebben geen politiek moderniseringsproces doorgemaakt. Traditionele loyaliteiten aan familie, stam, streek of religieuze gemeenschap zijn vaak sterker dan de nationale gedachte of de officieel beleden ideologie. De vorming van een nieuw bewind in Afghanistan en de problemen rond de vestiging van een soort centraal gezag tonen al aan hoe moeizaam zo’n proces is. In Irak staan nog grotere belangen op het spel, ook voor de buurlanden. Er is geen pasklare oplossing voorhanden. Veel staten in het Midden-Oosten worden met ijzeren vuist bijeengehouden. De groep die de staat beheerst, beheert ook de schatkist en moet daaruit de eigen achterban belonen met geld en baantjes. Verzwakt de greep van het regime, dan dreigt het gevaar vam de ‘soft state’, de staat die buiten de hoofdstad weinig macht heeft, en juist dat kan dan weer ruimte bieden aan organisaties als Al-Qaeda. Zullen de Verenigde Staten met hun economische en veiligheidsbelangen werkelijk het risico lopen van politieke instabiliteit door democratisering?

Het is bovendien de vraag of de Amerikanen de meest geschikte mogendheid zijn om nation building, democratie en vrijheid aan het Midden-Oosten op te leggen. Onder de Arabieren heerst ten aanzien van de Amerikaanse bedoelingen een wijdverbreid en diep geworteld wantrouwen. Het zou de Verenigde Staten immers toch vooral om de oliebelangen gaan. Daarnaast worden de Verenigde Staten beschouwd als de kritiekloze beschermheer van Israël, dat systematisch de Palestijnse rechten vertrapt. Anti-islamitische geluiden uit Amerikaanse koker versterken dit wantrouwen. Maar bovenal lijkt een Amerikaanse rol bij democratisering weinig geloofwaardig, gezien de ondubbelzinnige Amerikaanse steun tot nu toe aan zelfs de meest ondemocratische regimes.

Hoe geloofwaardig is de idealistische benadering die Haass bepleit in het licht van de Amerikaanse belangen? Er zit veel waars in de woorden van Haass dat de Verenigde Staten hun prioriteiten moeten herzien en zich wat bescheidener moeten opstellen. Maar de grondgedachte erachter is nog steeds dat Amerika een missie heeft om ‘een Amerikaanse vrede’ te brengen aan de rest van de wereld. En het is juist deze ‘kruisvaardersmentaliteit’ die bij de Arabieren weerstanden oproept.

Veel beter is het als de rol voor de opbouw van een nieuw Irak zoveel mogelijk aan Irakezen zelf wordt overgelaten, met eventueel een rol voor de Arabische wereld en de internationale gemeenschap. Wellicht kunnen kritische Arabische intellectuelen daarbij een constructieve rol spelen. Het is beter daarop te vertrouwen dan op allerlei nieuwe warlords. Het risico bestaat dan immers dat de Verenigde Staten opnieuw verkeerde vrienden kiezen. Mocht het tot een oorlog komen om Saddam te verdrijven, dan zouden de Amerikanen zo snel mogelijk een stap terzijde moeten doen. Het is wenselijk dat de Amerikanen zich tegelijk ook wat meer gaan inzetten voor de Palestijnen. Ook in de Arabische wereld beseft men de noodzaak van hervormingen. Niet alleen het UNDP-rapport getuigt daarvan. Helaas vertoeven veel kritische Arabische intellectuelen in ballingschap in het buitenland. Maar de moderne communicatiemiddelen (internet, satelliettelevisie) zullen onvermijdelijk leiden tot meer openheid in veel voorheen gesloten Arabische samenlevingen. De kleine Golfstaat Qatar herbergt niet alleen het Amerikaanse hoofdkwartier voor een eventuele aanval op Irak, maar ook de populaire onafhankelijke televisiezender Al Jazeera (het Eiland). Voor het denken en doen van de Arabieren zou de invloed van Al Jazeera wel eens van groter belang kunnen zijn dan een Amerikaanse interventie. Dat er in de Arabische wereld dringend behoefte is aan meer vrijheid en openheid, daaraan is geen twijfel, want er is veel mis in de Arabische wereld.

Noten

1 Zie: rbas-info@undp.org; en Hans H.J. Labohm, ‘Arabisch reveil?’, in: Internationale Spectator, november 2002, blz. 560-564.

2 Een aangepaste versie van deze rede verscheen in de International Herald Tribune van 11 december 2002.

(februari 2003)