Columns
Jaap de Zwaan
Nieuw elan voor het Europa-debat?
Het coalitieakkoord van CDA, PvdA en Christen-Unie is gebouwd op zes 'pijlers'. De eerste daarvan betreft een 'actieve internationale en Europese rol', zodat ons land een relevante en constructieve partner blijft in de wereld en in Europa. Dat is goed nieuws. Het werd ook wel tijd dat Nederland weer eens aan buitenlands beleid gaat doen. Na het echec rond het referendum van 1 juni 2005 en in de campagnes voor de Tweede Kamer-verkiezingen van november 2006 is het immers oorverdovend stil geweest op dit front. Ook in Brussel dreigt het spel wel over ons te gaan, maar zonder ons te worden gespeeld.
Blijkens de toelichting bij deze eerste pijler-tekst zijn 'uitbreiding' en 'verdieping' (van de Europese Unie) de komende decennia geen vanzelfsprekende motoren voor de Europese samenwerking. Aanpassing van de instituties is nodig om de positie van de lidstaten te versterken op de beleidsterreinen waar dat kan en de Europese samenwerking te vergroten waar dat moet. Op zich zelf is dat een begrijpelijke en redelijke benadering. Uit de toelichting lijkt wel te volgen dat de hervorming van de instellingen aan de eerstvolgende uitbreiding - die van Kroatië - vooraf dient te gaan. Aangezien die institutionele hervorming juist een voornaam thema was van het - in Den Haag zo verfoeide - Europees grondwettelijk verdrag, ligt hier een verband met de toekomst van dat verdrag.
Als gebieden waar méér Europese samenwerking wordt gewenst, worden in het coalitieakkoord genoemd: versterking van de concurrentiekracht van de Europese economieën; grensoverschrijdende milieuproblemen; energiebeleid; asiel- en migratiebeleid; het externe beleid; en de bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende en georganiseerde criminaliteit. Dit zijn inderdaad relevante beleidsterreinen, die ook aan de orde kwamen in de consultatie van de burger via internet na het referendum van 1 juni 2005. Maar, let wel, we hebben het over beleidsterreinen ten aanzien waarvan de Europese Unie thans slechts over weinig bevoegdheden beschikt en waar de 'echte' verantwoordelijkheden dus bij de lidstaten berusten.
Ten aanzien van de toekomst van het grondwettelijk verdrag wordt in het coalitieakkoord gesteld dat Nederland streeft naar wijziging en eventuele bundeling van de bestaande verdragen van de Europese Unie. Qua inhoud, omvang en benaming dient de nieuwe verdragstekst zich te onderscheiden van het eerder verworpen verdrag. Leggen we deze wensen nu naast de twee eerder gedane vaststellingen - 1 Nederland wil de instituties hervormen; en 2 Nederland wil aandacht geven aan relevante, de burger aansprekende, nieuwe beleidsterreinen - dan komen de contouren in beeld van een, nieuw, kort verdrag, ontdaan van 'constitutionele' terminologieën en inhoudelijk gericht op actuele, maar voor de Unie nieuwe, beleidsterreinen. Ook dat is een goede benadering. Die benadering draagt er immers toe bij dat de Unie kan optreden op beleidsterreinen die naar hun aard grensoverschrijdend zijn, die de burger relevant vindt en die van doorslaggevend belang zijn voor de toekomst van onze samenleving.
Even verder wordt wel gesteld dat de positie van nationale parlementen met betrekking tot de subsidiariteitstoets moet worden versterkt, 'bijvoorbeeld met een rode kaartprocedure'. Dat is vreemd. Een inbreng van nationale parlementen die erop zou neerkomen dat de besluitvorming van de Europese Unie kan worden stopgezet, is in strijd met de fundamentele karakteristieken van de Uniesamenwerking. Waar het gaat om de beleidsontwikkeling door de Unie, komt de rol van het Europees Parlement immers in de plaats van die van de nationale parlementen. Is men van mening dat de democratie op Europees niveau onvoldoende gewaarborgd is, dan is dat een argument om de rol van het Europees Parlement te versterken, doch niet zozeer die van de nationale parlementen. Overigens voorzag het grondwettelijk verdrag in zo'n versterking van de bevoegdheden van het Europees Parlement. Hoe het ook zij, het geven van een 'rode kaart' aan nationale parlementen is géén goed idee.
Ook moeten we bedenken dat, als we de richting opgaan van een nieuw en kort(er) verdrag, problemen ontstaan voor de - 18 - lidstaten die inmiddels het grondwettelijk verdrag hebben geratificeerd. Die lidstaten zullen namelijk, opdat het nieuwe verdrag in werking kan treden, thuis andermaal een goedkeuringsprocedure moeten starten. Om deze grote groep lidstaten te overtuigen, zijn stuurmanskunst en diplomatieke vaardigheden vereist, in de eerste plaats bij de lidstaten die nieuwe verdragsonderhandelingen wensen, maar natuurlijk ook bij het Voorzitterschap. Bij dat alles mogen de problemen om met 27 lidstaten overeenstemming te bereiken over verdragsteksten met betrekking tot de nieuwe beleidsterreinen voor de Unie, niet worden onderschat. Men mag immers aannemen dat de lidstaten terughoudend zullen zijn waar het gaat om het afstaan, aan de Unie, van verantwoordelijkheden op deze gebieden.
Nog een enkel woord over de procedurele aspecten betreffende het eventuele nieuwe verdrag. In het coalitieakkoord staat dat hierover 'advies' gevraagd zal worden aan de Raad van State. Dat is raar. Durft de nieuwe regering hier haar eigen verantwoordelijkheden niet te nemen? En, wat beoogt de coalitie eigenlijk met deze passage? In de media heet het al dat de nieuwe regering over een eventueel nieuw verdrag géén referendum meer wil. Nu is het waar dat de Raad van State twee jaar geleden ook betrokken is geweest bij de besluitvorming over het toenmalig referendum. Toch klinkt de nieuwe passage defensief en opportunistisch. Hoe dan ook is het ontlopen van een nieuwe volksraadpleging niet bevredigend. De politiek heeft namelijk - nu al geruime tijd - een probleem met de burger, en dat probleem is nog niet opgelost. Een echt publiek debat over Europa heeft immers niet plaatsgevonden.
Je zou dan ook menen dat hier nu juist een mooie uitdaging voor de nieuwe regering ligt: leg uit waarmee je bezig bent en verdedig de keuzen die gemaakt worden. Daar heeft de burger behoefte aan. De Nederlandse burger is namelijk helemaal niet zozeer tegen Europese samenwerking, maar wil daar wel meer bij betrokken worden. Het gebrek aan draagvlak is dus in het geding of, zo men wil, de legitimiteit van de Europese samenwerking. Dat moeten we serieus nemen. Het zou de nieuwe regering dan ook sieren als de burger wel degelijk nog eens geraadpleegd wordt, mocht een nieuw verdrag tot stand komen. Dat hoeft dan geen consultatie te zijn over de hele tekst van het verdrag; het kan gaan over de essentie ervan. Kortom, de vraagstelling inzake een al dan niet tweede referendum is niet zozeer een juridische aangelegenheid waarover de Raad van State moet adviseren, maar een politieke kwestie die de regering zelf moet beslissen.
Al met al, en dat is belangrijk, lijkt het Europa-debat in Nederland weer op gang te komen. Dat werd tijd. Het is ook net op tijd. Op 25 maart 2007 is het namelijk 50 jaar geleden dat het EEG-Verdrag in Rome werd ondertekend. Een intensief integratieproces begon op een groot aantal beleidsterreinen. Die integratie heeft bijgedragen aan het creëren van vrede, veiligheid en welvaart, op ons continent, voor een steeds groter aantal staten en volkeren. Dat proces verdient het te worden voortgezet. Zonder voldoende draagvlak bij de burger is dat echter moeilijk.
(maart 2007)
