Internationale Spectator

Columns

Bernard Bot

Clingendael: denken, doen en durven

Bij de 25ste verjaardag van Instituut Clingendael past allereerst een gelukwens. Met enige trots mogen we vaststellen dat deze denktank inmiddels is uitgegroeid tot een merknaam. Op grond van kwaliteit en omvang van activiteiten op velerlei terrein heeft Clingendael bijgedragen aan de vorming van Nederlands buitenlands beleid. Dat past ook in de doelstelling die het zich voor de komende jaren heeft gesteld, namelijk te fungeren 'als een denktank die in een doorlopend veranderende mondiale omgeving politiek-maatschappelijke ontwikkelingen vroegtijdig onderkent en analyseert'. Tezelfdertijd zou dit Instituut nog iets meer internationaal profiel kunnen krijgen. Deze ambitie was ook destijds al aanwezig. Er werd toen gezinspeeld op de mogelijkheid een 'waardige pendant te scheppen voor toonaangevende instellingen buiten de grenzen'. Zou hier niet een schone taak voor de toekomst liggen?

Daarop aansluitend dringt zich onwillekeurig de vraag op, hoe nu verder? Kan een instelling als Clingendael nog een nuttige bijdrage leveren aan het onderzoeken van en het denken en communiceren over buitenlands beleid? Die vraag is pertinent in een wereld waar de traditionele beperkingen van geografische grenzen en tijd door globalisering, de 24-uurs-economie en internet bezig zijn te verdwijnen. Zal het Instituut op de wat langere duur toch het onderspit moeten delven, zoals zovele andere adviesorganen en instellingen? Zeker nu iedere burger of beleidsmaker met een druk op de computer toegang heeft tot alle beschikbare informatie over willekeurig welk internationaal onderwerp ook? En sterker nog, nu iedereen een pasklaar antwoord schijnt te hebben voor ieder probleem dat zich aandient? Soms lijkt het wel alsof het aantal 'dominees' met uitgesproken meningen nog steeds toeneemt, terwijl de pragmatische 'kooplieden' te zamen met onze economische kroonjuwelen naar het buitenland verdwijnen.

Maarten Brands formuleerde de vraag naar het nut van een instelling als Clingendael vanuit een andere invalshoek. Hij merkte in dit blad al in augustus 1982 op dat 'Nederlandse politici weinig geïnteresseerd zijn in de diensten van een goed geëquipeerd instituut voor internationale studiën'. De afgelopen periode heeft bewezen dat deze zienswijze maar ten dele waar is. Inderdaad, politici hebben in de praktijk weinig tijd voor lijvige studies. Maar beleidsambtenaren die de koers voorbereiden, nemen wel degelijk kennis van het werk van Clingendael. En generaties jonge ambtenaren en diplomaten, veelal ook uit andere landen, hebben terdege geprofiteerd van dit kenniscentrum. Op het terrein van energie en veiligheidsbeleid verschijnen bijvoorbeeld regelmatig verhelderende studies die ook gretig aftrek vinden bij het bedrijfsleven.

Ik denk daarom dat een wetenschappelijk instituut als Clingendael ook in de toekomst zijn waarde zal blijven ontlenen aan objectief onderzoek en het vermogen de steeds aanzwellende informatiestroom als het ware tot dossierklare brokken te verwerken. Bijdragen waarvan beleidsmakers kunnen profiteren doordat deze onderzoeken en beleidsdocumenten objectieve analyses, aanbevelingen en scenario's bevatten. Clingendael zal daarbij de ogen niet kunnen sluiten voor de praktische aspecten van onderzoek: het leveren van doelgerichte bijdragen voor rationele besluitvorming. Want een corrigerende stroom van informatie zal altijd van belang blijven. Dit als een tegenpool voor 'the wisdom of the crowd'. Die wordt in deze tijd van toenemend populisme immers maar al te snel als opperste wijsheid beschouwd en als leidraad genomen voor het korte-termijndenken. Goed beredeneerde informatieverschaffing is en blijft dus een taak voor het Instituut. Daaraan kunnen de huidige programma's - Europese Studies, Veiligheid, Diplomatie en Energie - beleidsrelevante bijdragen leveren.

Bij de bestudering van internationale ontwikkelingen zou de rol van Europa 'core business' voor Clingendael moeten blijven. De afgelopen maanden heeft een koor van bezorgden een klaagzang aangeheven over de defensieve houding van Nederland. Of misschien moeten we liever spreken van de Nederlanders? Ik denk dat er eerder sprake is van verwarring bij de gemiddelde Nederlandse burger dan van passiviteit of verwerping. Want één ding staat wel vast, die zelfde burger voelt zich volgens de peilingen in grote meerderheid nog steeds heel goed thuis in de EU. Misschien mogen we wél stellen dat het idealisme van de beginjaren is omgeslagen in een voorzichtiger, en soms wat afwachtend, realisme. En dat vooral de identiteit en het belang van Nederland in dat steeds maar uitdijende bestel meer op de voorgrond zijn getreden. Bij al die verwarrende ontwikkelingen rond uitbreiding, nieuwe verdragen en financiële lasten rijst dan wel de vraag welk Europa we eigenlijk willen. En met welke middelen en structuren we onze ambities willen verwezenlijken. Want de vraag naar het politieke en dus democratische Europa blijft zich aan ons opdringen. En laten we ons inmiddels niet al te druk maken over de eindbestemming van de EU. De eenwording heeft zich altijd langs wegen van geleidelijkheid voltrokken. Helaas is van een echt debat over deze zaken thans maar weinig sprake; daarin hebben de bezorgde commentatoren gelijk. Alleen als er iets te verwerpen valt, als het een spannende wedstrijd belooft te worden, met de regering als mogelijke verliezer, flakkert de belangstelling weer op, zoals tijdens het referendum. Die belangstelling gaande te houden, vraagt dus om een nieuwe invalshoek. Want het is kennelijk niet langer voldoende ons te verschansen achter de success story van het welvarende Europa. We zullen het politieke proces begrijpelijker en aanvaardbaarder moeten maken. Me dunkt dat er genoeg stof tot nadenken en discussie op tafel ligt voor een pro-actief Clingendael-beleid in de komende jaren.

Dat geldt zeker ook voor het Veiligheidsprogramma van het Instituut. De transatlantische band, zoals belichaamd in de NAVO, is en blijft ons natuurlijk dierbaar, maar de vraag dringt zich schoorvoetend op of een Europese defensiemacht niet onontbeerlijk is, wil Europa zich op het internationale strijdtoneel staande houden. Past daarin eerder een PvdA-filosofie van minder nadruk op de klassieke taken van de strijdmacht en meer aandacht voor kleinere en flexibele eenheden, vooral gericht op peacekeeping en peacemaking Of moeten we toch vasthouden aan handhaving van zwaar materieel, zoals de NAVO dat van ons verwacht? Zijn onze eigen Europese grenzen echt zo veilig, dat we ons geen zorgen hoeven te maken over een externe vijand? Een langere-termijn-studie over deze onderwerpen die de burger zeker bezighouden, zou verhelderend kunnen werken.

Energie zal in toenemende mate onze aandacht vergen. Een nieuwe strijd tussen gebruikerslanden en leveranciers over toegang en exploratie van energiebronnen kondigt zich aan. Daarom zal het woord 'voorzieningszekerheid' met grotere letters in ons buitenlands beleid moeten worden opgenomen. Ik denk dat Nederland meer aandacht moet schenken aan het ontwikkelen van een bilaterale energiediplomatie, hoezeer het ook hecht aan effectief multilateralisme. Maar de EU is tot op heden niet bij machte gebleken een effectief energiebeleid te ontwikkelen, laat staan uit te voeren. Daarbij zal Nederland vooral
moeten inzetten op 'soft power'-instrumenten, omdat we nu eenmaal als kleine speler op het energieslagveld over te weinig 'hard power' beschikken. Hoe die 'soft power' het meest efficiënt aan te wenden, zou ook onderwerp van studie kunnen zijn.

Ook inzake Diplomatie zijn nieuwe ontwikkelingen waar te nemen. In het huidige tijdsgewricht valt te wijzen op nieuwe verantwoordelijkheden voor diplomaten en consuls. De expertise waarover Clingendael op dit gebied beschikt, maakt het instituut bekend tot ver over onze landsgrenzen, vanwege de opleidingen die aan vele buitenlandse diplomaten worden aangeboden. Dat levert goodwill op, niet alleen voor het instituut maar ook voor ons land. In verband met de diplomatieke praktijk komt tevens aandacht toe aan de rol van de Verenigde Naties en de verhouding met andere internationale organisaties, bijvoorbeeld op het gebied van vredesmissies. Gaandeweg hebben alle continenten hiermee te maken, ook Europa (denk aan Kosovo). Inspanningen in multilaterale context tegen de verspreiding van massavernietigingswapens dienen evenzeer voorwerp van onderzoek te blijven.

Den Haag heeft zichzelf uitgeroepen tot juridische hoofdstad van de wereld. Daarom tot slot enkele woorden over de internationale uitstraling van Clingendael. Zoals al in de aanvang opgemerkt, zullen we ook daaraan moeten werken. Dat zou alleen mogelijk zijn, denk ik, als Clingendael zich meer als een niche-speler zou opstellen en zich zou onderscheiden van al die andere denktanks door een bepaalde specialiteit. Dat verdient nader overleg. Het zou tevens inhouden dat het roer enigszins om moet wat betreft de taal. Alleen als het merendeel van het onderzoek en de studies in het Engels verschijnt, zal het mogelijk zijn internationaal de aandacht op Clingendael te vestigen. De Internationale Spectator bevat vele interessante artikelen, maar heeft helaas slechts een bescheiden schare van trouwe lezers. Al met al is wel duidelijk dat er genoeg uitdagingen zijn voor de komende vijfentwintig jaar. Clingendael zal over heel wat brede en modderige sloten moeten springen om alle doelen te verwezenlijken, maar de polsstok die het heeft in de vorm van een toegewijde en ervaren staf, is lang genoeg om dat mogelijk te maken.

(januari 2008)